ours-idefisc

Idefisc — Belastingsnieuws

Het aantrekkelijke regime van private stichtingen

In het voorgaande nummer, hebben wij een beslissing van de DVB (Dienst Voorafgaande Beslissingen) inzake private stichtingen becommentarieerd. Wij hebben toen een mogelijke analogie met het vehikel van een discretionaire trust benadrukt.

Het recente nieuws verbonden met de aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit door een rijke Fransman zet het vehikel van de private stichting naar Belgisch recht eveneens in de schijnwerpers.

Een private stichting kan immers worden gebruikt teneinde een familievermogen in stand te houden door successierechten te vermijden.

De stichting, wordt opgericht door een of meerdere natuurlijke - of rechtspersonen en daarbij “(wordt) een vermogen (…) aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel” (artikel 27 van de wet van 2 mei 2002).

De stichting mag geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de stichters, de bestuurders, of enig ander persoon, behalve, in dit laatste geval, indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel.

Een van de fundamentele eigenschappen van de stichting is het bestaan van een aangewend vermogen dat zal gebruikt worden om het belangeloos doel te verwezenlijken.

De private stichting laat aan zijn stichter toe om een vermogen voor een belangeloos oogmerk aan te wenden zoals “de handhaving van een collectie kunstwerken, steun aan de ontwikkeling van een regio, creatie van een prijs of van een werk, handhaving van het familiale karakter van een onderneming, behoud van de integriteit van elementen van het patrimonium” (Uittreksel van de voorbereidende werken).

In tegenstelling tot de VZW kan de stichting zich wijden aan industriële of commerciële verrichtingen op voorwaarde dat zij worden gesteld met als doel de verwezenlijkte winsten aan te wenden voor een belangeloos doel.

De private stichtingen zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks ter vergoeding van de successierechten, maar eens de goederen zijn overgezet naar de stichting, zijn zij niet meer onderworpen aan de successierechten.

De overgemaakte goederen maken immers deel uit van het eigen vermogen van de stichting en behoren dus niet meer tot dat van de stichter, noch van zijn erfgenamen.

Bij het overlijden van de stichter vindt er dus geen erfovergang plaats die op zichzelf onderworpen kan zijn aan de successierechten. Wij begrijpen allemaal het nut van dit vehikel op het vlak van de vermogens- en successieplanning.

Auteur : Pascale Hautfenne

ours-idefisc
Idefisc — Actualités Fiscales
©2003-2020 Idefisc & Words and Wires W3validator